een stad & de schrijver

  1

nu_ in de tijd
tussen nacht en dageraad
is de stad stil

zelfs het zwijgen rust
nu_ in ontbrekende uren

de dichter
schrijft stad

witruimte
zonder woorden

 

 

 2

ze zette een streep op straat
vroeg: is dit het einde
van ons bestaan
wie bepaalt de grens
wat scheidt ons van oneindigheid

de vrouw zette een hoed op
zei: laten we zon zijn
en ons branden aan elkaar en aan de buren
laat ons de aarde warmen
in onze onmeetbare armen

ze gaf een bloem aan de jongen
fluisterde: wees niet bang
voor het verlangen en de vergankelijkheid
ook morgen zal dag zijn
er is geen einde en geen begin

ze danste over de straat
riep: ik wil vlaggenlijn zijn
en mijn woorden wimpelen in de wind
iedereen welkom schrijf ik
op de spandoeken

ze zoende de man met het pak
juichte: het is feest
omdat gij hier zijt
het is goed zo
de stad zijn wij